Kenya 1996

18 september 1996 – luchthaven Zaventem
19u30 check-in
21u15 boarding
21u45 ready for take-off.
Eindelijk zou onze lang gekoesterde droom werkelijkheid worden: een safari in Kenya. Omdat we 20 jaar getrouwd zijn, mag het eens een ietsje meer zijn.

Na een 8u durende vermoeiende vlucht landen we de volgende morgen in Mombasa. Hoewel het nog vroeg is (7u45) brandt de zon al ongenadig. Bij het buitenkomen van de luchthaven worden we onmiddellijk geconfronteerd met de armoede in het land: kreupele bedelaars staan in een rijtje aan te schuiven voor een aalmoes. Onze host loodst zijn klanten behendig door de wirwar van kleine en grote donkere mensen.

Op een vrij vlotte manier worden de vele toeristen ingedeeld al naargelang de geboekte safari. Wij komen, samen met nog 2 andere koppels, terecht in het minibusje van gids-chauffeur Mohamed. Nadat hij al onze bagage in de kleine bagageruimte van het busje heeft gepropt vertrekken we op safari. Eens we goed en wel de stad uit zijn zitten we onmiddellijk midden in de overweldigende natuur. De zalige stilte doet deugd na de drukte in Mombasa. Van de rit naar het eerste wildpark herinner ik me weinig, te moe van de reis om te kunnen genieten.

Na 150 km “piste” komen we tegen de middag aan in het Tsavo West National Park, een park van 7500 km2 groot. Het is er vochtig en zeer warm. We zullen een nachtje logeren in de Kilaguni Lodge, de eerste safarilodge van Kenya, gebouwd in 1962 met een schitterend uitzicht over de vulkanische Chyulu Hills en de majestueuze Kilimanjaro. We worden begroet door bavianen, salamanders, maraboes en mangoesten. Onze tijdelijke “huisdieren”, zeg maar. Als welkom krijgen we iets te drinken op de veranda. Vlak daarachter ligt een waterplas waar een kudde zebra’s staat te drinken.

Later zien we daar nog talloze andere parkbewoners. Onze kamer is eenvoudig maar netjes: 2 smalle bedjes met een muskietennet, een doucheruimte en WC. En in de plaats van glas een vliegengaas in de vensters en de buitendeur.

Na een duik te hebben genomen in het zwembad(je) doen we in de late namiddag onze eerste gamedrive: een rit in de natuur, op zoek naar wild. Na enkele ogenblikken al passeren we een tiental impala’s, wat verder zien we struisvogels en waterbokken. Na een heerlijke maaltijd gaan we vroeg naar bed, lekker slapen … dachten we! ’s Nachts worden we gewekt door vreemde geluiden. Ik, angsthaas die ik ben, durf mijn bed niet uit en tracht de aandacht van mijn slapende echtgenoot te trekken. De geluiden gaan maar door. Bij de buren hoor ik ook gestommel. Voor mij het bewijs dat er echt wel iets is, dat ik het niet droom. Mijn man tracht in de donkere nacht te kijken, ziet of hoort niets en kruipt terug zijn bed in. Na een tijdje sukkel ook ik terug in slaap. De volgende morgen worden we opgewacht door onze reisgenoten met de vraag “hebben jullie de olifant gezien vannacht” ? Die schijnt dus de halve nacht in onze “achtertuin” te hebben staan grazen en de kracht waarmee het dier bosjes gras uit de grond trok, was dus het geluid waarvan wij wakker waren geworden.

De volgende morgen vroeg op pad voor een rit naar Mzima Springs, bronnen die per dag zo’n 20 miljoen liter water leveren aan o.a. de stad Mombasa. Het krioelt er van de bavianen. De krokodillen in de rivier zijn te lui om zich te laten zien. Na de lunch vertrekken we richting Amboseli National Park, een lange rit die we in konvooi moeten rijden met voor- en achteraan gewapende politie. Enkele maanden geleden is hier nog een busje met Belgische toeristen overvallen. Niet aan denken en proberen te genieten. We rijden dwars door de Chyulu Hills met prachtige vergezichten. Onderweg zien we in de verte onze eerste giraf. We vragen de chauffeur om rechtsomkeer te maken om het dier van dichterbij te kunnen zien. De man lacht en keert terug. Later begrijpen we waarom hij lachte: we zouden nog wel 100 giraffen zien. Ook leeuwinnen kruisen ons pad en schattige dik-diks (mini antilopen). Plots zitten we midden in het wild: enorme kuddes gnoes, olifanten in alle maten, buffels en zebra’s in overvloed, grants gazelles, thomson’s gazelles, buffels, kudu’s, jakhalzen en gieren die de laatste restjes van een kadaver oppeuzelen.

Tegen de avond kunnen we genieten van een prachtige ondergaande zon boven de uitgestrekte steppe.

Onze tweede pleisterplaats is de luxueuse Amboseli Serena Lodge, gebouwd als een Masai-dorp in het Amboseli National Park. Hier zullen we twee nachten blijven. Het park is 3920 km2 groot en gelegen op 1170 m hoogte. Heet overdag en koel ’s nachts dus. De tuin van deze lodge is schitterend aangelegd en heeft een mooi en uitnodigend zwembad. We zien de prachtigste bloemen en bomen en veel kleurrijke vogels.

Het scenario van de vorige dag herhaalt zich: ’s ochtens vroeg, voor dag en dauw en na een snelle kop koffie, onze eerste gamedrive. Actie deze keer: een buffel en een hyena vechten om een stuk vlees (antiloop??). De bloeddorstige hyena wint de strijd. Ondertussen hebben wij ook honger gekregen en rijden we terug richting lodge voor een uitgebreid ontbijt. De vervet monkeys houden ons van op een afstandje gezelschap en zodra we aanstalten maken om naar het buffet te gaan springen ze op tafel om te zien of er al wat te stelen valt. Mooie dieren, maar gevaarlijk!

In de namiddag brengen we een bezoek aan een Masai nederzetting. Deze nederzettingen bevinden zich midden in de savanne op honderden kilometers van de bewoonde wereld en de dorpelingen hebben alleen hun benen om zich te verplaatsen. Geen wonder dus dat er onder de Kenianen zoveel goede lange-afstandslopers zijn. De Masai leven van het bloed van hun koeien en geiten en van de opbrengst van de jacht. De vrouwen bouwen de hutten (uit koeiedrek gemengd met takken) en hun kinderen hoeden het vee en zorgen voor de kleintjes vanaf het moment dat zij bij hun moeder van de borst zijn. Kindjes van een jaar of 3, misschien 4 lopen met een jonger broertje of zusje op hun rug. Masai zijn zeer trotse mensen, ze houden van juwelen en versiersels en zijn zeer kleurrijk gekleed (veel rood). Hun oorlellen hangen tot op hun schouders door het gewicht van hun oorbellen.

De Masai doen een dansje voor ons en laten ons hun woningen zien. Jammer dat het zo’n commerciële bedoening is. Voor alles moeten ze geld hebben, we moeten zelfs entree betalen.

Op de terugweg zien we een ander prachtig stuk natuur: verspreid over een kale vlakte een aantal acacia’s en grote kuddes giraffen die de blaadjes van de acacia’s eten. Op de achtergrond de Mount Kilimanjaro, met zijn 5895 m de hoogste berg van Afrika. Verder nog een leeuwin met een aantal welpen, honderden olifanten en een moeder en vader cheetah met twee kleintjes. Wat een schitterende dieren.

Op weg naar onze volgende stopplaats: Lake Nakuru National Park, 576 km2 groot. Vandaag moeten we dwars doorheen Nairobi. Van drukte gesproken! Toeterende auto’s, stinkende uitlaten en lange files voor de verkeerslichten. Dat zijn we niet meer gewend. We krijgen een voortreffelijke lunch in het pachtige Nairobi Serena Hotel. Je mag er alleen niet over de tuinmuur heen kijken, vlak achter het hotel liggen de krottenwijken van Nairobi. Onderweg genieten we nog vanop 650 m hoogte van het fantastische uitzicht op de Great Rift Valley, een enorme scheur in de aardkorst die zich over 6450 km uitstrekt van Jordanië tot in het zuiden van Mozambique en die dwars door Kenya loopt en ook hier op zijn breedst is (tussen de 40 en de 55 km).

En dan is er het Nakuru meer met zijn tienduizenden, misschien wel honderdduizend roze flamingo’s. Schitterend. En ook de zeldzame witte neushoorn krijgen we te zien. Ook hier mogen we weer logeren in een mooie lodge: de Lake Nakuru Lodge.

De volgende dag vertrekken we naar ons laatste wildpark: het Masai Mara, een uitloper van de Tanzaniaanse Serengeti. Wellicht het bekendste park van Kenya, 1700 km groot en gelegen op 1650 m hoogte. Het leukste ook, want je mag er met de auto van de weg afwijken, dwars door de wilde natuur. Het reservaat bestaat voornamelijk uit savanne. We worden ondergebracht in de Masai Mara Sopa Lodge. Een weelderige tuin met veel bloeiende hibiscus, reuze kerststerren, frangipane, abutilon, enz.

Tijdens de gamedrive krijgen we de zwarte neushoorn te zien, te onderscheiden van de witte door de vorm van de kop en dus niet door de kleur want ze zijn allebei grijs. We komen nog een aantal families olifant en giraf tegen.

Een prachtig gespierd luipaard wandelt op enkele meters van ons busje voorbij en een paar cheetah’s liggen lekker te luieren in de zon. Een topi maakt op zijn gemak een wandelingetje over de savanne en een lelijke hyena ligt te slapen op het zand. Overdag is er weinig beweging in de brousse, ’s avonds komen de dieren pas tot leven. Aan de Mara River zien we veel watervogels en talloze nijlpaarden drijven als enorme stenen in de rivier.

Overdag tijdens onze vrije tijd spartelen we in het zwembad ; ’s avonds na het diner zitten we zowaar voor het open haardvuur. De ochtenden en de avonden zijn aan de frisse kant hier.

En zo zit onze safari er op. Nog een laatste rit van het Masai Mara naar Nairobi, een spectaculaire rit mogen we wel zeggen. We nemen de “highway”, de verbinding tussen Nairobi/Mombasa in zuidelijke richting en Nairobi/Kisumu in noordelijke richting. Het begrip “highway” is hier dus wel degelijk anders dan dat wij gewend zijn. Het is een smalle strook kapotgereden asfalt. Op plaatsen waar de weg te slecht wordt, maken de chauffeurs er gewoon een eigen weggetje naast met het onvermijdelijke stof en een kapot busje als gevolg. Onderweg nog even stoppen voor het uitzicht op de Longonot vulkaan, een vulkaankegel in de Great Rift Valley. Verder wordt er ons nog een maaltijd aangeboden in The Carnivore, een “beroemd wildrestaurant”. Ik kan niet zeggen dat het eten mij smaakt. Al die prachtige dieren die we de afgelopen week live gezien hebben krijg je hier op je bord. Van een anti climax gesproken.

Op de luchthaven van Nairobi mag ik even voor hostess spelen. De Kenyaan die instaat voor het uitdelen van de vliegtuigtickets krijgt met geen mogelijkheid al die Vlaamse en Franse namen door zijn strot. We worden met zijn allen in een Fokker 50 gepropt en na een korte vlucht landen we waar we ons avontuur begonnen zijn: Mombasa. Van de rust en de stilte van het oerwoud naar Mombasa: erger dan een mierennest. Het is 16u30 en de vochtige hitte beneemt ons de adem.

Strandvakantie

Ons strandhotel ligt ten zuiden van Mombasa, d.w.z. dat we het Likoni veer moeten nemen dat de stad verbindt met de zuidelijke stranden. Het is spitsuur en er zijn nog meer mensen die het veer op willen. Het ziet er letterlijk en figuurlijk “zwart van het volk”.

Na een bustransfer van een uurtje komen we tegen de avond aan in ons paradijs op aarde: hotel Southern Palms Beach Resort aan Diani Beach, een oase van luxe en rust. Het hotel is gebouwd in Afrikaans-Moorse stijl en we hebben een pili-pipi bed in onze kamer, een soort hemelbed dus. Het witte zandstrand is het mooiste dat we ooit zagen. Kilometers lang, praktisch voor ons alleen. De hele week genieten we met volle teugen van zon, zee, strand en zwembad.

We zoeken en vinden de prachtigste schelpen en we vullen een plastic zakje met zand, voor onze verzameling. We gaan kijken wat de vissers zoal bovenhalen in hun netten: gitaarvissen, een reuze rog, grote paarse kwallen.

We maken nog een uitstapje naar het openbare schooltje (lees arme-kinderen-schooltje dat draait op vrijwilligers) van Ukunda. Prachtige zwarte kinderen met grote zwarte ogen die aan je lijf hangen en je omver zouden lopen voor een balpen. De meesten krijgen buiten les, lekker koel onder een grote boom. Schrijven doen ze met hun vinger in het zand. Ze hebben niets, krijgen met wat geluk één keer per dag een maaltijd, maar er is altijd een lach op hun gezicht.
We eten van de lokale keuken: rode bonen, vlees (??) op een stokje, maniok en chapati (zoete aardappel). Al snel hebben we een eendags pleegkind: Said. Met zijn vinger streelt hij zachtjes over de arm van mijn man. Een arm met zoveel haar op schijnt hij nog niet eerder te hebben gezien. We gaan ook nog even bij de plaatselijke medicijnman langs, maar wat hij te vertellen heeft slaat nergens op.

Als afscheid krijgen we van Kennedy, onze persoonlijke security guard, de tekst van een Kenyaans welkomstlied mee:

Jambo, jambo bwana
habari gani, nzuri sana
wageni wakaribishwa
Kenya yetu hakuna matata
Kenya nchi nzuri hakuna matata
Kenya kuna upendo hakuna matata
HAKUNA MATATA.

Een vakantie om nooit te vergeten.

Auteur: MyriamC

vrouw / moeder / oma / levensgenieter / wereldreiziger / #foreveronvacation Mijn motto: YOLO!

%d bloggers liken dit: